Deze website maakt gebruik van cookies

Ontstaan van de witte tijger

Er leven ongeveer rond de drie honderd witte tijgers. De witte tijgers zijn eigenlijk de Bengaalse tijgers. De witte tijger is niet ontstaan als een aparte soort en dat komt doordat twee verschillende tijgersoorten met elkaar paren zoals bijvoorbeeld een Bengaalse tijger en een Sumatraanse tijger. De kans is dan groot dat de welpen witte tijgers kunnen gaan worden. Ze worden vaak groter dan normale tijgers en doordat ze te weinig pigment hebben worden ze wit. Het is dus geen foutje van de  natuur en ze zijn vaak gewoon net zo gezond en sterk als normale tijgers. Vanwege de zeldzame kleur zijn ze daardoor ook graag gewild door pelsjagers en stropers.

De Bengaalse witte tijger

De Bengaalse witte tijgers komen voor in India, Bangladesh, Nepal, Buthan, Myenmar en West-China. Jagen voor de witte tijgers is wel moeilijker dan voor de andere tijgers omdat hun vacht niet echt gecamoufleerd is en door de roomwitte vacht vallen ze al best wel snel op. Qua bouw zien ze er hetzelfde uit, maar ook de ogen zijn in plaats van rood bij normale tijgers blauw. Net als de andere tijgers is het een solitair dier. Bijna alle witte tijgers uit dierentuinen en circussen zijn nakomelingen van van de witte tijger die in 1951 in de jungle van Centraal India is gevonden. 

Hoe de witte tijger overleefd

Door de opvallende vacht is het moeilijk voor ze om hun prooi te kunnen vangen en voor de stropers zijn ze gemakkelijker te vinden dan de andere tijgers waardoor het moeilijk is om te kunnen overleven. Vaak worden ze daarom ook in reservaten gezet om in veiligheid te blijven en dat ze niet gepakt kunnen worden door stropers. Inmiddels is men ook in staat om in de reservaten ook Siberische witte tijgers te kweken alleen komen die niet voor in het wild.

Waar de witte tijger voorkomt

De Bengaalse witte tijger komt vooral voor in het Sandarban gebied tussen India en Bangladesh, maar ook in Noord en Midden-India, Nepal en Birma. Ze komen tegenwoordig in de wouden van het vlakke kustgebied van Sandarban in Oost-India. 

Voedsel en jacht

Door een korte sprint te houden kunnen ze vaak hun prooi pakken en ze bespringen hun prooi van opzij of van achteren. Door met hun vier grote hoektanden hun prooi in de nek te pakken kunnen ze geen kant op. Soms spelen ze ook eerst met hun prooi voordat ze het opeten en al jong leren de welpen op jacht te gaan. Het regerende mannetje verjaagd naar mate van tijd de (jongens) welpen. Meestal vallen ze ook in de nacht aan en ze wachten totdat de andere dieren die ze op het oog hebben in slaapvallen en vaak pakken ze de zwakste en de jongste. Een volgroeide tijger kan wel 2 meter lang worden en weegt dan ruim 200 kilogram. Dankzij de kracht van de tijger kan hij zelfs een dier aan die twee keer zo groot is als hem.